https://ploum.nl/uploads/Artikelen_en_Track_Records_en_expertise/Douane_en_Logistiek/pexels-cottonbro-4614235.jpg

Voorwaarden voor toepassing van de “laagst aanvaardbare prijs” bij douanewaardering: analyse van Keladis I & II

03 feb '26

Auteur(s): Jikke Biermasz

Lage‑waarde‑textielimporten zorgen al jaren voor veel discussie en onrust in de Europese douanepraktijk. Het is een terrein waar controles scherp zijn, aangegeven douanewaarden regelmatig worden verworpen en navorderingen flink kunnen oplopen. In de praktijk ontstaat daarbij soms bijna een kat‑en‑muisspel: de douane vermoedt structurele onderwaardering, terwijl importeurs vaak te maken hebben met bulkgoederen van lage kwaliteit — onverpakt, merkloos en tegen lage prijzen ingekocht — waarbij de waarde ook werkelijk laag kan zijn. Juist in dit spanningsveld tussen vermoedens van fraude en de realiteit van de textielhandel ontstaat een dynamiek die keer op keer “stof” doet opwaaien.

Het recente arrest van het Hof van Justitie van 29 januari 2026 in de gevoegde zaken Keladis I (C‑72/24) en Keladis II (C‑73/24) valt precies in dat spanningsveld. Het draait om een vraag die misschien technischer klinkt dan hij is, maar in de praktijk miljoenen kan schelen:
mag de douane de waarde van goederen bepalen op basis van een statistisch berekende “laagst aanvaardbare prijs” (LAP), wanneer de werkelijke waarde niet meer is vast te stellen? Jikke Biermasz bespreekt het arrest.

Het is een vraag die raakt aan de kern van het douanewaardesysteem. Het Hof geeft daarop een antwoord dat zowel praktisch als principieel is.

Een praktijk die steeds digitaler werd

Europa’s douaneautoriteiten digitaliseren in hoog tempo. Data en statistiek vormen de motor achter risicoselectie en controles. Efficiëntie is daarbij het sleutelwoord, maar het risico is duidelijk: wat begint als een ondersteunend signaal, kan gaandeweg veranderen in een bewijsvermoeden.

Dat was precies wat in deze textielzaken dreigde te gebeuren. De douane hanteerde een laagst aanvaardbare prijs voor de douanewaarde van de goederen die werd berekend aan de hand van gegevens uit de statistische gegevensbank Comext van Eurostat en uit het anti-fraude-informatiesysteem AFIS van Europees Bureau voor Fraudebestrijding bureau OLAF. In de praktijk wordt ook wel gesproken over de “Fair Price List”. Wat ooit was bedoeld als risicoprofiel, werd nu gebruikt als feitelijke douanewaarde. De goederen waren ondertussen niet meer beschikbaar voor fysieke controle. De facturen met vage omschrijvingen gaven onvoldoende houvast. Dus viel de Griekse douane terug op statistiek.

Korte samenvatting van de feiten

De zaken Keladis I en Keladis II draaien om de invoer van textielproducten uit Turkije in de periode 2014–2016. Voor deze importen waren geen douanerechten verschuldigd, maar zij waren wél onderworpen aan btw bij invoer, berekend over de opgegeven douanewaarde.

De Griekse douane startte in 2016 een onderzoek na klachten over vermeende onderwaardering. Tijdens het onderzoek concludeerden de autoriteiten dat de douanewaarden die in ruim 289 invoeraangiften waren opgegeven, onzorgvuldig of bewust laag waren vastgesteld. De goederen konden niet meer fysiek worden gecontroleerd, en de omschrijving op de facturen was volgens de douane algemeen en onvoldoende gedetailleerd om de waarde te verifiëren.

Omdat zij de werkelijke transactiewaarde niet betrouwbaar konden vaststellen, verwierpen de douaneautoriteiten de opgegeven douanewaarden en gebruikten zij een door OLAF ontwikkeld statistisch instrument (AFIS/AMT) om een “laagst aanvaardbare prijs” (LAP) vast te stellen. Deze LAP werd vervolgens gebruikt als feitelijke douanewaarde.

Op basis daarvan berekende de Griekse douane dat er aan btw bij invoer een bedrag van EUR 6.211.300,18 was ontdoken. Dat leidde tot aanzienlijke naheffingen ten laste van de betrokken personen.

Verwijzing naar Luxemburg

De importeurs bestreden zowel de waarderingsmethode als de aansprakelijkheid voor btw. De Griekse rechter legde daarop prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie.

Volgens het Hof is er een ontwikkeling gaande waarbij de individuele beoordeling van een transactie steeds meer dreigde te worden vervangen door statistische referentiewaarden. Waar de waardering normaal draait om de specifieke omstandigheden van de invoer, leek die nu te worden ingehaald door generieke gemiddelden. Het Hof herhaalt daarom de kern: statistiek is een hulpmiddel, geen waarderingsbeslissing op zichzelf.

De juridische vraag: is een LAP een verboden minimumwaarde?

Het douanewaardesysteem is streng: minimumwaarden en fictieve waarden zijn verboden. De douane moet waarderen in een hiërarchie met de transactiewaarde als uitgangspunt en primair aangewezen methode voor berekening van de douanewaarde. Pas wanneer die niet werkt, komen aanvullende methoden in beeld: identieke goederen, soortgelijke goederen, aftrekmethode, berekende waarde en uiteindelijk de fall‑backmethode van artikel 31 CDW / 74(3) DWU. Deze methode wordt ook wel die van de “redelijke middelen” genoemd. Hoe verhoudt een statistisch gemiddelde voor goederen van een bepaalde goederencode en ingevoerd met een bepaalde oorsprong zich tot de methode van de redelijke middelen?

De LAP past in geen van de reguliere methoden. De statistische gegevens zijn simpelweg te geaggregeerd. Ze zeggen niets over kwaliteit, merkloosheid, restpartijen, seizoenspartijen of strategische inkooprelaties. Het enige wat ze geven is een gemiddelde per kilogram. En niemand doet juridisch zaken met gemiddelden.

De vraag was dus: is de LAP een verboden minimumwaarde?
Of is er toch ruimte om op een LAP terug te vallen als de feiten onvolledig zijn en de waardering lastig wordt?

Het oordeel: het mag, maar onder strikte voorwaarden

Het Hof kiest daarbij niet voor de kant van de douane of die van de importeur, maar houdt vast aan de uitgangspunten van het waarderingssysteem. Rechtsoverweging 101 raakt de kern.  Het Hof formuleert het normatief scherp:

Wat verder het in punt 99 van het onderhavige arrest vermelde verbod betreft om de douanewaarde vast te stellen op basis van minimumwaarden, moet, zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, worden geoordeeld dat het eventuele gebruik van de LAP’s dit verbod zou kunnen schenden indien deze administratieve praktijk systematisch zou zijn en de betrokken marktdeelnemer de lagere prijzen op zijn aangifte niet zou mogen rechtvaardigen. In deze laatste situatie zou de weigering om rekening te houden met transactiewaarden onder een dergelijke drempel ertoe leiden dat de aangegeven waarden worden opgetrokken tot die drempel, hetgeen feitelijk neerkomt op een stelsel van minimumwaarden.”

Een LAP is verboden zodra zij systematisch wordt toegepast of wanneer de marktdeelnemer niet de mogelijkheid krijgt om een lagere prijs te rechtvaardigen.

Daarmee maakt het Hof duidelijk dat gebruik van een LAP niet per definitie verboden is, maar ook dat zij nooit een harde ondergrens mag worden die de transactiewaarde automatisch vervangt.

Een LAP mag dus wel worden gebruikt, maar alleen binnen de fall‑backmethode, alleen als laatste redmiddel, en alleen als de importeur zijn verhaal kan doen. Het Hof houdt daarmee ruimte open voor digitale controle, maar waarschuwt dat automatisme het systeem uitholt.

Waarom dit arrest schuurt en waarom het nodig was

Het arrest schuurt omdat het precies blootlegt waar toezicht en rechtsbescherming elkaar raken. De douane wil snelheid, schaal en data. Bedrijven willen voorspelbaarheid en individuele beoordeling. Het Hof oordeelt: beide belangen zijn legitiem, maar digitalisering mag niet leiden tot simplificatie van complexe handelsrealiteiten.

Een lage prijs is niet verboden. Afwijken van het gemiddelde is geen bewijs.
Statistiek is een hulpmiddel, geen waarheid. Daarmee herinnert het Hof ons eraan dat douanerecht nu eenmaal meer is dan een spreadsheet.

De factor tijd: wanneer zijn statistische gegevens relevant?

Een ander cruciaal punt is het tijdvak waarover statistiek wordt verzameld. In deze zaken werkte de douane met data over een periode van 48 maanden. Het Hof overweegt dat dit problematisch is.

Het grijpt terug op de 90‑dagenregel uit de aftrekmethode en zegt: ook bij de fall‑backmethode moet de douane werken met informatie uit dezelfde periode, of nagenoeg dezelfde periode, als de onderzochte invoer. Statistiek van meerdere jaren oud is alleen toelaatbaar wanneer er géén andere optie is en dat moet de douane expliciet onderbouwen.

Ook hier klinkt een duidelijke waarschuwing door: statistische gegevens mogen niet gedachteloos worden gebruikt. Het blijft essentieel dat de data tijdsrelevant zijn. De douanewaarde van de goederen moet zo precies en waarheidsgetrouw mogelijk worden vastgesteld.

De douane heeft een motiveringsplicht als zij de douanewaarde wil vaststellen op basis van statistische gemiddelden

Een van de belangrijkste onderdelen van het arrest en het deel dat voor de praktijk waarschijnlijk het meest gaat doorwerken — is de sterke nadruk van het Hof op de motiveringsplicht van de douane.

Het Hof is streng. Als de douane wil afwijken van de transactiewaarde, moet zij:

  • uitleggen waarom de transactiewaarde niet kan worden aanvaard,
  • toelichten welke aanvullende informatie is gevraagd,
  • aantonen dat de andere methoden echt niet toepasbaar zijn,
  • inzicht geven in de gebruikte statistiek,
  • onderbouwen waarom gekozen is voor de methode van de redelijke middelen,
  • en de importeur gelegenheid bieden om tegenbewijs te leveren.

Niet als formaliteit. Maar omdat het waarderingsstelsel daarop is gebaseerd: hoor en wederhoor, transparantie en individuele beoordeling. Het Hof overweegt dat als de douane statistiek wil gebruiken, zij moet uitleggen waarom de concrete zaak dat rechtvaardigt.

Wat betekent dit voor ondernemingen?

Het arrest verandert niets aan het feit dat ondernemingen zorgvuldig moeten onderbouwen hoe hun douanewaarde tot stand komt. Het verandert wél de manier waarop zij zich kunnen verweren wanneer een douaneautoriteit de Fair Price List gebruikt. In de praktijk betekent dit dat als de douane de douanewaarde voor een statistisch gemiddelde wil vervangen omdat zij twijfelt aan de aangegeven transactiewaarde, dat nog niet einde oefening is. Bedrijven kunnen nog:

  • alternatieve stukken aandragen,
  • aantonen dat bulkgoederen nu eenmaal echt goedkoop zijn,
  • wijzen op kwaliteitsverschillen, restpartijen of specifieke inkoopcondities.

Documentatie is belangrijker dan ooit. Zeker bij merkloze bulk van lage kwaliteit is het verstandig om grondig aspecten als de volgende te documenteren:

  • inkoopvoorwaarden,
  • productkwaliteit,
  • vergelijkbare transacties,
  • betalingsbewijzen,
  • prijsafspraken.

In de praktijk zien we een groeiende behoefte aan value governance”: intern vastleggen hoe prijzen worden bepaald en welke commerciële factoren een rol spelen.

Het Hof geeft bedrijven een belangrijk handvat: het feit dat de waarde van hun import van het gemiddelde afwijkt, is op zich nog géén bewijs van onderwaardering. Daarmee wordt de discussie teruggebracht naar de plek waar hij hoort: bij de transactiewaarde en het verhaal daarachter.

Een korte noot over vereenvoudigde aangiften

De importeurs in deze zaken hadden gebruikgemaakt van de vereenvoudiging waarbij alle goederen onder de hoogste tariefpost worden aangegeven. Interessant is dat het Hof bevestigt dat deze keuze ook doorwerkt bij controles achteraf. Dat betekent dat een importeur die kiest voor eenvoud, ook de gevolgen daarvan draagt bij latere waarderingsdiscussies.

Het btw‑aspect in de beslissing van het Hof

Naast de waarderingskwestie behandelde het Hof een afzonderlijk vraagpunt over wie btw bij invoer verschuldigd is.

Volgens artikel 201 van de btw‑richtlijn mogen lidstaten zelf bepalen wie btw‑schuldenaar is bij invoer. Die aanwijzing moet echter wel voldoen aan de eisen van duidelijkheid, precisie en rechtszekerheid: een betrokkene moet uit de nationale regelgeving kunnen afleiden dat hij voor de btw aansprakelijk is.

In de Griekse zaken waren douanerechten niet aan de orde, maar btw bij invoer wél. De Griekse douane stelde dat de betrokken personen, onder wie de importeur en een werknemer binnen de handelsketen, als “eigenaar van de goederen” als btw‑schuldenaar konden worden aangemerkt. Het Hof verduidelijkt dat dit alleen kan wanneer de nationale wetgeving uitdrukkelijk en ondubbelzinnig bepaalt wie voor de betaling van de btw bij invoer wordt geacht eigenaar van de ingevoerde goederen te zijn.  

Waardediscussies buiten de context van fraude: het bredere praktijkbeeld

Hoewel het arrest is ingebed in een casus waarin de Griekse douane een smokkelnetwerk vermoedde — het Hof noemt expliciet dat de autoriteiten dergelijke aanwijzingen zagen in een samenstel van 289 onjuiste aangiften — staat dit niet los van een bredere werkelijkheid in de douanepraktijk. Het beeld dat ontstaat in Keladis is in die zin niet representatief voor alle waardegeschillen.

In de dagelijkse praktijk zien we namelijk veel gevallen waarin er géén sprake is van smokkel, opzet of frauduleuze onderwaardering, maar waarin de douane tóch besluit om de opgegeven transactiewaarde te verwerpen. Dat gebeurt vaak nadat een “twijfelprocedure” is doorlopen en de douane concludeert dat de waarde “niet aannemelijk” is.

In die situaties grijpen autoriteiten terug op statistische drempelwaarden zoals een Fair Price List of een vergelijkbare “referentiewaarde”. Maar in veel dossiers is die lijst voor belanghebbenden niet inzichtelijk, niet herleidbaar en niet controleerbaar. Daardoor ontstaat een juridisch kwetsbare situatie: de douane beroept zich op data die de marktdeelnemer niet kan inzien, terwijl diezelfde data wel de basis vormt voor verwerping van de transactiewaarde.

Ook douanevertegenwoordigers wringt dat in de praktijk. In de verificatiefase worden juist vertegenwoordigers vaak het eerst aangesproken, terwijl zij meestal niet over de commerciële details als prijsafspraken, kortingen, restpartijen of marktontwikkelingen  beschikken die wél relevant zijn voor de waardering. Het risico is dat zij in de procedure in een onmogelijke bewijspositie komen: zij moeten uitleggen waarom een waarde correct is, terwijl zij geen toegang hebben tot de data waarmee de douane de waarde verwerpt.

Daarom is de reminder uit Keladis belangrijk: de douane moet transparant zijn over haar motivering, en statistiek mag nooit automatisch de doorslag geven.

Elk dossier vraagt om een individuele beoordeling, met ruimte voor het verhaal achter de waarde, de commerciële context en de specificiteit van de goederen.

Praktijkobservatie: waarom textiel soms écht spotgoedkoop is

In de waarderingspraktijk van textiel speelt nog een ander verschijnsel dat de laatste jaren sterk is toegenomen, met name door internationale e‑commerce. Waar de traditionele kledingindustrie vroeger werkte met seizoenscollecties en relatief stabiele volumedruk, zien we nu een ontwikkeling die wordt omschreven als “ultra fast fashion”: continue vernieuwing van producten, gebaseerd op razendsnelle trends, korte levensduur en massale productiecycli.

Merken en leveranciers produceren daarbij bewust in zeer grote volumes, vaak in tientallen of honderden varianten van hetzelfde basismodel. Er wordt daarbij “gegokt” op welke uitvoeringen een hit zullen worden - de rest blijft liggen. Wat niet aanslaat, wordt tegen dumpprijzen verkocht, direct afgeprijsd of eindigt uiteindelijk zelfs als onverkochte voorraad op de afvalberg.

Commercieel is dat een strategie: de verliezen op de meerderheid van de varianten worden gecompenseerd door een paar succesvolle modellen. Juridisch leidt dit echter tot een lastige realiteit: veel textiel heeft daardoor daadwerkelijk een extreem lage waarde, soms zelfs onder de kostprijs om ruimte te maken voor nieuwe collecties.

Of deze economische dynamiek wenselijk is - ook gezien duurzaamheid en afvalstromen - is een discussie op zichzelf. Maar het verklaart wel waarom sommige textielzendingen objectief gezien spotgoedkoop zijn. Voor de douanepraktijk betekent dit dat lage douanewaarden niet automatisch een signaal van fraude zijn, maar ook het gevolg kunnen zijn van structurele overproductie en korte productlevenscycli in de moderne kledingketen.

Tot slot: een arrest dat nuance terugbrengt in het data-gedreven douanelandschap

Keladis I & II is geen spectaculair, maar wel een fundamenteel arrest.  Het herinnert eraan dat douanerecht - hoe digitaal en data‑gedreven ook - een systeem blijft dat draait om context, proportionaliteit en hoor en wederhoor.

Het Hof geeft de douane ruimte om statistiek te gebruiken, maar zorgt ervoor dat het waarderingsstelsel niet verandert in een rekenkundig automatisme.

In een tijd waarin algoritmes steeds vaker bepalen waar de aandacht van de douane naar uitgaat, is dat misschien wel precies de nuance die nodig is.

Over de douanepraktijk van Ploum

Het douaneteam van Ploum ondersteunt ondernemingen dagelijks bij discussies over douanewaarde, onderwaardering, controles achteraf en btw bij invoer. Jikke Biermasz en Arjan Wolkers adviseren en procederen regelmatig over de toepassing van waarderingsmethoden, de eisen die uit Europese rechtspraak voortvloeien en de bewijslastverdeling in douanezaken.

Met diepgaande kennis van het DWU, brede proceservaring en begeleiding tijdens bedrijfscontroles, helpt Ploum bedrijven grip te houden op waarderingsrisico’s en hun positie te versterken in gesprekken met de douane.

Contact

Advocaat, Partner

Jikke Biermasz

Expertises:  Douanerecht, Transportrecht, Verzekerings- en Aansprakelijkheidsrecht, Voedsel- en Warenpraktijk, Haven en Douane, Food, Transport en Logistiek, Douane en Internationale Handel, Internationale Sancties en Exportcontrole , E-commerce,

Senior medewerker

Arjan Wolkers

Expertises:  Douanerecht, Haven en Douane, Transport en Logistiek, Douane en Internationale Handel,

Advocaat

Ferah Taptik

Expertises:  Douanerecht, Voedsel- en Warenpraktijk, Transportrecht, Transport en Logistiek, Haven en Douane, Food, Douane en Internationale Handel, E-commerce,

Advocaat

Irene Stassen

Expertises:  Verzekerings- en Aansprakelijkheidsrecht, Transportrecht, Douanerecht, Haven en Douane, Transport en Logistiek, Douane en Internationale Handel,

Deel dit artikel

Blijf op de hoogte

Klik op het plusje en schrijf je in voor updates over dit onderwerp.

Met uw inschrijving blijft u op de hoogte van de laatste juridische ontwikkelingen op dit gebied. Vul hieronder uw gegevens in om per e-mail op te hoogte te blijven.

Persoonlijke gegevens

 

Bedrijfsgegevens

Meer informatie over hoe we uw persoons­gegevens gebruiken, kunt u lezen in onze privacyverklaring. U kunt uw voorkeuren altijd wijzigen via de link ‘Profiel wijzigen' of u afmelden via de link ‘Afmelden'. Deze links vindt u onderaan ieder bericht dat u van Ploum ontvangt.

* Verplicht in te vullen velden.

Geïnteresseerd in

Persoonlijke gegevens

 

Bedrijfsgegevens

Meer informatie over hoe we uw persoons­gegevens gebruiken, kunt u lezen in onze privacyverklaring. U kunt uw voorkeuren altijd wijzigen via de link ‘Profiel wijzigen' of u afmelden via de link ‘Afmelden'. Deze links vindt u onderaan ieder bericht dat u van Ploum ontvangt.

* Verplicht in te vullen velden.

Geïnteresseerd in

Account aanmaken

Haal alles uit Ploum.nl. Binnen een minuut geregeld.

Ik heb al een account

Voordelen Mijn Ploum

  • Volgen wat u interessant vindt
  • Krijg aanbevelingen op basis van uw interesses

*Verplicht in te vullen velden.

Ik heb al een account

Voordelen Mijn Ploum

Volgen wat u interessant vindt

Krijg aanbevelingen op basis van uw interesses

{phrase:advantage_3}

{phrase:advantage_4}


Waarom vragen we uw naam?

We vragen u om uw voor- en achternaam zodat wij die kunnen gebruiken als u zich bijvoorbeeld inschrijft op een Ploum Kennisevent.

Wachtwoord

Er wordt automatisch een wachtwoord voor u aangemaakt. Zodra uw account is aangemaakt ontvangt u dit wachtwoord in een welkomstmail. U kunt er direct mee inloggen. Dit wachtwoord kunt u indien gewenst ook zelf aanpassen via de wachtwoord vergeten functie.