Overschrijding verjaringstermijn: Tóch navordering douanerechten

06 jun '21

Auteur(s): Arjan Wolkers, Jikke Biermasz,

Dat is de ongelukkige uitkomst van het op 3 juni 2021 gewezen arrest van het Hof van Justitie in zaak C-39/20 (Jumbocarry Trading GmbH) [1] naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Hoge Raad[2]. Deze procedure wordt in Nederland door veel importeurs/aangevers met belangstelling gevolgd, omdat zij, waar mogelijk, het verjaringsargument destijds in lopende bezwaar- en beroepsprocedures hebben ingebracht en dus afhankelijk zijn van de beslissing door het HvJ EU. Hoewel de Hoge Raad formeel nog eindarrest moet wijzen, lijkt dit lange verhaal voor de belanghebbenden niet goed af te lopen.

Hieronder ga ik in op deze kwestie en adviseer ik importeurs die nog beroepsprocedures hebben lopen, nog eens goed te analyseren of er nog aanvullende argumenten zijn om een eventuele navordering te bestrijden.

Wettelijke basis douanerecht

Het douanerecht is, meer dan andere fiscale aandachtsgebieden, voornamelijk gebaseerd op Europese en internationaal vastgestelde regels. Voor de Europese Unie geldt dat de belangrijkste douanewetgeving met ingang van 1 mei 2016 is terug te vinden in een drietal verordeningen, waaronder het zogenoemde Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU)[3]. Deze verordeningen vervingen destijds het zogenoemde Communautair Douanewetboek (hierna: CDW)[4] en de daarmee samenhangende uitvoeringsverordening.

Verjaringstermijn en opschorting van de termijn

In het DWU is geregeld dat de verjaringstermijn van een douaneschuld normaal gesproken drie jaar is (artikel 103, lid 1 DWU). Dit betekent dat de douane een termijn van drie jaar heeft om een ontstane douaneschuld na te vorderen, in veel gevallen dus drie jaar nadat goederen in de EU zijn ingevoerd. De verjaringstermijn was in het CDW neergelegd in art. 221, lid 3 CDW. Ook toen was deze termijn drie jaar.

Navordering van douanerechten vindt plaats door verzending van een zogenoemde uitnodiging tot betaling (‘UTB’). Dat is een vorm van een belastingaanslag.

In het DWU is een bepaling opgenomen die in het CDW niet voorkwam. Deze bepaling houdt in dat de douane, voordat een UTB wordt opgelegd, de schuldenaar moet mededelen voornemens te zijn een UTB op te leggen. Daarbij moet de douane de daaraan ten grondslag liggende gronden kenbaar maken (artikel 22, lid 6 juncto artikel 29 DWU).

De verjaringstermijn wordt vervolgens vanaf dat moment opgeschort tot het einde van de periode waarbinnen de douaneschuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken (artikel 103, lid 3, aanhef en onderdeel b DWU juncto artikel 124, lid 1 DWU). Deze periode is normaal gesproken 30 dagen. Effectief heeft de douane dan dus 3 jaar plus 30 dagen de tijd om een UTB op te leggen.

In het CDW was niet bepaald dat de schuldenaar vóór het opleggen van een uitnodiging tot betaling (UTB) in kennis moest worden gesteld van dat voornemen. Wel volgde uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie ook toen al dat de douane niet rauwelijks een UTB mocht opleggen, maar gebonden was aan een op de rechtspraak gebaseerd voorschrift om de belanghebbende vooraf in kennis te stellen van een voorgenomen navordering. Dit is een uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie.

Prejudiciële vragen Hoge Raad aan het Hof van Justitie EU

De vraag is of voor een douaneschuld die is ontstaan vóór 1 mei 2016, vanwege de overgang van het CDW naar het DWU, de regels voor verjaring van artikel 221 CDW dan wel die van artikel 124 DWU van toepassing zijn. En of artikel 22, lid 6 DWU tot gevolg kan hebben dat de lopende verjaringstermijn wordt opgeschort, waardoor de uiterste datum waarop de douane een UTB kon opleggen, wordt verschoven (‘opgerekt’) tot ná de datum waarop de schuld op grond van het CDW verjaarde.

Daarnaast speelt de vraag of de eventuele toepassing van de artikelen 103 en 124 DWU strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Omdat het hier gaat om de uitleg van Europese (douane-)wetgeving, heeft de Hoge Raad op 20 januari 2020 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ EU) gesteld[5].

Feiten in de prejudiciële procedure

In de onderhavige procedure heeft Jumbocarry Trading GmbH (hierna: 'Jumbocarry') op 4 juli 2013 aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van porseleingoed met vermelding van Bangladesh als land van oorsprong. Dit leidde tot een preferentieel douanetarief van 0%.

Vervolgens heeft de douane Jumbocarry op 1 juni 2016 op de hoogte gesteld van het voornemen tot het opleggen van een UTB. Het certificaat van oorsprong was volgens de inspecteur vals en dus was Jumbocarry alsnog 12% douanerecht verschuldigd. Belanghebbende kreeg gelegenheid om haar standpunt daarover binnen dertig dagen kenbaar te maken.

Op 18 juli 2016 heeft de inspecteur een uitnodiging tot betaling opgelegd. Jumbocarry stelt zich vervolgens in de procedure(s) tegen de UTB op het standpunt dat de douaneschuld was verjaard omdat er drie jaar was verstreken sinds het ontstaan ervan (op 4 juli 2013).

Zowel de rechtbank Noord-Holland als het Gerechtshof Amsterdam hebben Jumbocarry eerder in het gelijk gesteld[6].

Conclusie A-G bij het HvJ EU

A-G Campos Sánchez-Bordona heeft op 11 februari 2021, vooruitlopend op het arrest van het HvJ EU, een conclusie genomen[7]. De A-G kwam kort gezegd tot de conclusie dat de artikelen uit het DWU wél kunnen worden toegepast en dat de douaneschuld dus nog niet was verjaard.

Voor een uitgebreide en kritische beschouwing van de bovenvermelde conclusie van de A-G, verwijs ik naar mijn webblog van 11 maart 2021 Navordering douanerechten verjaard; of toch niet?[8]

Oordeel Hof van Justitie

Het HvJ EU heeft recent, op 3 juni 2021, een eindoordeel gegeven.

Het HvJ EU wijst erop dat artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek, voor zover het bepaalt dat een douaneschuld verjaart bij het verstrijken van de in deze bepaling gestelde termijn van drie jaar, een materiële regel bevat[9]. Deze vaststelling geldt ook voor artikel 103, lid 1, van het DWU, aangezien de bewoordingen en de strekking van deze bepaling in wezen identiek zijn aan die van de eerstgenoemde bepaling. Ook artikel 103, lid 3, onder b, DWU dat bepaalt dat indien de in artikel 22, lid 6, van het wetboek bedoelde mededeling van gronden heeft plaatsgevonden, de verjaringstermijn voor douaneschulden wordt opgeschort, moet dus worden geacht een materiële regel te bevatten.

Dit betekent dat artikel 103, lid 3, onder b, DWU niet kan worden toegepast op rechtsposities die onder vigeur van het CDW zijn ontstaan en definitief zijn verworven, tenzij uit de bewoordingen, het doel of de opzet van het douanewetboek van de Unie duidelijk blijkt dat het de bedoeling was dat deze bepaling onmiddellijk op dergelijke situaties van toepassing zou zijn.

Omdat op de datum dat artikel 103 DWU van toepassing werd – dus op 1 mei 2016 – de verjaringstermijn van drie jaar nog niet was verstreken, was de rechtspositie van de douaneschuldenaar (Jumbocarry) nog niet definitief verworven. En dus komt het HvJ EU tot de beslissing dat het artikel uit het DWU wél kan worden toegepast.

Ook van schending van het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel is volgens het Hof om verschillende redenen geen sprake. Marktdeelnemers mogen, aldus het Hof, niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die de instellingen van de Unie in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kunnen wijzigen[10].

Het eindoordeel zal ongetwijfeld door veel importeurs als onrechtvaardig, in strijd met hun rechtsgevoel, worden beschouwd. Ik kan dat goed volgen. Halverwege de wedstrijd zouden de spelregels niet veranderd moeten worden. Het moment van invoer (dus het moment dat de douaneschuld ontstaat) zou naar mijn mening bepalend moeten zijn voor de vraag welke regels er gelden – waaronder ook de verjaringsregels.

Gevolgen voor de praktijk

Deze procedure wordt in Nederland door veel importeurs met belangstelling gevolgd, omdat zij, waar mogelijk, het verjaringsargument destijds in lopende bezwaar- en beroepsprocedures hebben ingebracht en dus afhankelijk zijn van de beslissing door het HvJ EU. Hoewel de Hoge Raad formeel nog eindarrest moet wijzen, lijkt dit lange verhaal voor importeurs niet goed af te lopen.

Ik adviseer importeurs dan ook om in de lopende beroepsprocedures nog eens goed te analyseren of er nog aanvullende argumenten zijn om een eventuele navordering te bestrijden en niet gelijk de handdoek in de ring te gooien. Wij denken graag met u mee.

----

 

[1] Hof van Justitie EU, 3 juni 2021, nr. C‑39/20, ECLI:EU:C:2021:435 (Jumbocarry Trading GmbH)

[2] Hoge Raad 20 januari 2020, nr. 18/01495, ECLI:NL:HR:2020:111

[3] Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.

[4] Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.

[5] Zie noot 2.

[6] Rechtbank Noord-Holland 22 augustus 2017, nr. HAA 17/211. Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2018, nr. 17/00489, ECLI:NL:GHAMS:2018:605.

[7] Conclusie A-G HvJ EU 11 februari 2021, nr. C-39/20 (Jumbocarry Trading GmbH), ECLI:EU:C:2021:120.

[9] Zie in die zin arrest van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C‑201/04, EU:C:2006:136, punt 41.

[10] Arrest van 26 juni 2012, Polen/Commissie, C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

Contact

Senior medewerker

Arjan Wolkers

Expertises:  Douanerecht, Haven en douane,Transport en logistiek, Douane en internationale handel,

Advocaat, Partner

Jikke Biermasz

Expertises:  Douanerecht,Transportrecht,Verzekerings- en aansprakelijkheidsrecht,Voedsel- en warenpraktijk, Haven en douane,Food,Transport en logistiek, Douane en internationale handel,Brexit,Corona (COVID-19) juridische Helpdesk,Internationale sancties en exportcontrole ,E-commerce,

Deel dit artikel

Reageer op dit artikel

Wilt u reageren op dit artikel? Inloggen of maak een Mijn Ploum account aan om uw reactie te plaatsen


Blijf op de hoogte

Voeg deze interesses toe aan Mijn Ploum.

Stel direct een vraag

Inschrijven nieuwsbrief

Persoonlijke gegevens

 

Bedrijfsgegevens

Meer informatie over hoe we uw persoonlijke gegevens gebruiken, kunt u lezen in ons Privacy statement. U kunt uw voorkeuren altijd wijzigen via de link ‘Wijzig uw gegevens' of u afmelden via de link ‘Afmelden'. Deze links vindt u onderaan ieder bericht dat u van Ploum ontvangt.

* Verplicht in te vullen velden.

Geïnteresseerd in

Account aanmaken

Haal alles uit Ploum.nl. Binnen een minuut geregeld.

Ik heb al een account

Voordelen Mijn Ploum

  • Volgen wat u interessant vindt
  • Krijg aanbevelingen op basis van uw interesses
  • Snel inschrijven voor kennisevents en Ploum Academy
  • Vraag en antwoord mogelijkheden gebruiken bij artikelen

Account aanmaken

Haal alles uit Ploum.nl. Binnen een minuut geregeld.

*Verplicht in te vullen velden.

Ik heb al een account

Voordelen Mijn Ploum

Volgen wat u interessant vindt

Krijg aanbevelingen op basis van uw interesses

Snel inschrijven voor kennisevents en Ploum Academy

Reacties op artikelen plaatsen


Waarom vragen we uw naam?

We vragen u om uw voor- en achternaam zodat wij die kunnen gebruiken als u zich bijvoorbeeld inschrijft op een Ploum Kennisevent.

Wachtwoord

Er wordt automatisch een wachtwoord voor u aangemaakt. Zodra uw account is aangemaakt ontvangt u dit wachtwoord in een welkomstmail. U kunt er direct mee inloggen. Dit wachtwoord kunt u indien gewenst ook zelf aanpassen via de wachtwoord vergeten functie.